Salarisonderzoeken verdienen nuance, geen snelle conclusies
De publicatie van het salarisonderzoek 2025 van Fysiovakbond FDV heeft begrijpelijk veel aandacht gekregen. In een sector waar arbeidsmarktkrapte,
werkdruk en toekomstbestendige arbeidsvoorwaarden dagelijks onderwerp van gesprek zijn, is iedere nieuwe bron van informatie welkom. Tegelijkertijd vraagt juist een onderwerp als salaris om zorgvuldigheid. Niet omdat de gepresenteerde cijfers onjuist zouden zijn, maar omdat de conclusies die hieraan worden verbonden gemakkelijk verder kunnen reiken dan de gegevens daadwerkelijk ondersteunen.
Het onderzoek biedt interessante inzichten in salarissen, maar geeft geen inzicht in de financiële ruimte waaruit eventuele loonstijgingen moeten worden gefinancierd. Daarmee ontbreekt een belangrijk deel van de informatie die nodig is om een generiek loonadvies voor de gehele sector te onderbouwen.
Een salarisadvies is geen loonadvies
Het FDV-onderzoek presenteert een mediaan bruto maandsalaris van € 4.209 voor fysiotherapeuten in loondienst in de eerstelijn. Dat is waardevolle informatie. Maar een salarisbenchmark is slechts één onderdeel van een veel groter verhaal. Wie de cijfers gebruikt om uitspraken te doen over wat een fysiotherapeut zou moeten verdienen, welke loonstijging redelijk is of hoeveel financiële ruimte werkgevers hebben, begeeft zich al snel op glad ijs.
Hoe representatief zijn de uitkomsten?
De eerste vraag die bij ieder onderzoek gesteld zou moeten worden, is hoe representatief de uitkomsten zijn. Hoewel 1.131 respondenten een indrukwekkend aantal lijkt, ontbreekt informatie die nodig is om de resultaten goed te kunnen duiden. Hoe zijn deelnemers geworven? Wat was de respons? Hoe zijn regio’s, specialisaties en werkgevers vertegenwoordigd? Zonder deze context is het moeilijk vast te stellen in hoeverre de uitkomsten representatief zijn voor de gehele eerstelijns fysiotherapie.
Daarnaast verdient aandacht dat het onderzoek is uitgevoerd onder leden van een vakbond. Bij dit type onderzoeken bestaat altijd een risico op selectiebias: de groep die ervoor kiest om deel te nemen hoeft niet volledig representatief te zijn voor de totale populatie. Werknemers die vragen of zorgen hebben over hun arbeidsvoorwaarden of salaris zijn vaak meer gemotiveerd om aan een salarisonderzoek deel te nemen dan werknemers die hun arbeidsvoorwaarden als passend ervaren. Dat betekent niet dat de uitkomsten onjuist zijn, maar wel dat voorzichtigheid geboden is bij het trekken van algemene conclusies voor de gehele sector.
Juist daarom zijn aanvullende gegevens over de samenstelling van de onderzoeksgroep en de representativiteit van de steekproef van belang om de
resultaten goed te kunnen interpreteren.
Wat wordt precies vergeleken?
Daarnaast roept de presentatie van de salariscijfers zelf vragen op. Het gepresenteerde bruto jaarsalaris en bruto maandsalaris lijken niet direct op elkaar
aan te sluiten. Dat suggereert dat aanvullende looncomponenten zijn meegenomen, zoals vakantiegeld of andere vergoedingen. Op zichzelf is dat niet problematisch, maar het maakt vergelijking met individuele salarissen, cao-schalen of andere onderzoeken minder vanzelfsprekend dan het op het eerste gezicht lijkt.
Appels en peren vergelijken
Ook valt op dat ervaring en specialisatie niet gecombineerd worden geanalyseerd. Daarmee ontstaat het risico dat verschillende groepen met elkaar worden
vergeleken terwijl hun arbeidsmarktpositie wezenlijk verschilt. Een gespecialiseerd fysiotherapeut met vijftien jaar ervaring bevindt zich immers in een andere situatie dan een algemeen fysiotherapeut die recent is afgestudeerd. Salarisverschillen worden in de praktijk zelden door één factor bepaald.
Tariefstijging is niet hetzelfde als loonruimte
Misschien nog belangrijker is de wijze waarop loonruimte wordt gekoppeld aan tariefontwikkelingen. Het onderzoek verwijst naar stijgende zorgtarieven en
suggereert dat dit ruimte biedt voor loonstijgingen. Die redenering klinkt logisch, maar is economisch gezien te eenvoudig. Een praktijkhouder financiert salarissen niet uitsluitend uit tariefstijgingen. Ook huur, energie, ICT, opleidingen, werkgeverslasten, verzekeringen en andere kosten stijgen. Bovendien verschillen praktijken sterk in declarabiliteit, contractmix, patiëntenpopulatie en rendement. Een tariefstijging van enkele procenten vertaalt zich daarom niet automatisch in dezelfde loonruimte.
Van benchmark naar loonadvies: een grote stap
Misschien wel de belangrijkste vraag is of het onderzoek voldoende basis biedt voor het advies van Fysiovakbond FDV om voor 2026 een loonsverhoging van 3,75 tot 4,5% te bespreken. Daar lijkt een onderscheid te worden gemaakt tussen twee zaken die niet automatisch met elkaar samenhangen.
Een salarisbenchmark geeft inzicht in wat respondenten verdienen, maar niet in wat individuele praktijken financieel kunnen dragen. Omdat gegevens over onder meer praktijkrendement, declarabiliteit, productiviteit, kostenontwikkeling en contractmix ontbreken, blijft de onderbouwing van een generiek loonadvies voor de gehele sector beperkt.
Juist daarom is terughoudendheid gepast. Een salarisbenchmark kan een waardevol hulpmiddel zijn in gesprekken over arbeidsvoorwaarden, maar vormt op zichzelf geen bewijs dat een bepaalde loonstijging voor iedere praktijk haalbaar of verantwoord is.
Het perspectief van de praktijk ontbreekt
Daarmee raken we aan een breder punt. De discussie over arbeidsvoorwaarden in de fysiotherapie verdient meer aandacht voor de economische werkelijkheid waarin werkgevers en werknemers gezamenlijk opereren. Een salaris kan niet los worden gezien van de financiële prestaties van een praktijk. Evenmin kan een praktijk toekomstbestendige arbeidsvoorwaarden bieden wanneer de onderliggende bedrijfsvoering onvoldoende ruimte biedt om deze te financieren.
Salarisontwikkeling is een belangrijk onderwerp, maar kan niet los worden gezien van arbeidsvoorwaarden, werkdruk, productiviteit, praktijkrendement en de financiering van de eerstelijnszorg. Onderzoeken zoals dat van FDV leveren een waardevolle bijdrage aan die discussie, mits de uitkomsten worden gebruikt als gespreksstarter en niet als onderbouwing voor algemene conclusies. Transparantie is belangrijk, maar nuance minstens zozeer.
Conclusie: salarisontwikkeling vraagt om maatwerk
Het FDV-onderzoek biedt waardevolle inzichten in salarissen binnen de eerstelijnsfysiotherapie. Voor een generiek loonadvies van 3,75 tot 4,5% ontbreekt
echter inzicht in de financiële ruimte van individuele praktijken.
Salarisontwikkeling vraagt daarom om maatwerk, waarbij zowel waardering voor medewerkers als de financiële realiteit van de praktijk wordt meegewogen.
Laten we de onderzoeksresultaten daarom vooral gebruiken als aanleiding voor een goed gesprek, niet als uitgangspunt voor algemene verwachtingen. Een duurzame salarisontwikkeling ontstaat uiteindelijk niet uit een landelijk percentage, maar uit een gezonde balans tussen waardering voor medewerkers en de financiële realiteit van de praktijk.